nieuwsbrief EUpdate nr. 11 - 2013 - 2014

Inhoud

Uitgelicht... Nieuws uit de Kamer Signalering

Uitgelicht...

Tijdelijke commissie GRECO-rapport brengt verslag uit

​13 mei 2014 - De Eerste Kamer moet een apart hoofdstuk in het Reglement van Orde opnemen over integriteit. Tot dat advies komt de tijdelijke commissie GRECO-rapport, een door de Eerste Kamer in oktober 2013 ingestelde bijzondere commissie van zeven senatoren. In dit hoofdstuk in het Reglement van Orde moeten volgens de commissie bepalingen worden opgenomen over belangenconflicten, over het registreren van geschenken en door derden betaalde reizen, over het geven van gedetailleerdere informatie over 'nevenfuncties' van senatoren en over geheimhouding en vertrouwelijkheid. De commissie adviseert verder de fracties binnen de Eerste Kamer de eigen afspraken over integriteit op schrift te stellen en voor het algemeen publiek openbaar te maken (waarbij de commissie zich realiseert dat de fracties een eigen afweging maken). Ook doet de commissie een aantal aanbevelingen om het integriteitsbewustzijn te vergroten, zoals regelmatige verzoeken aan senatoren om de gegevens over hun nevenfuncties te actualiseren en introductiebijeenkomsten over integriteit voor nieuwe senatoren.

Aanleiding voor de instelling van de commissie vormde een evaluatierapport van de Group of States against Corruption (GRECO) van de Raad van Europa. Het rapport betrof de preventie van corruptie onder parlementariërs, rechters en leden van het Openbaar Ministerie en vloeide voort uit de vierde evaluatieronde van de GRECO, waarin alle lidstaten van deze internationale organisatie worden bezocht en geëvalueerd. Ten aanzien van Nederland concludeerde de GRECO dat daar, ondanks relatief weinig formele regels, een tamelijk effectief systeem voor de bewaking van de integriteit van parlementariërs geldt. Niettemin deed zij een aantal aanbevelingen om dit systeem te verbeteren, waarop de tijdelijke commissie GRECO-rapport met haar verslag heeft gereageerd. De voorzitter van de commissie heeft het verslag op 13 mei 2014 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer aangeboden. Het verslag wordt op 27 mei aanstaande inhoudelijk besproken in het College van Senioren, het beraad van de fractievoorzitters.

Herziening IORP-richtlijn

​6 mei 2014 - De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 6 mei 2014 gesproken over de voorgenomen herziening van de pensioenfondsenrichtlijn uit 2003 (COM(2014)167). Het betreft een aanpassing van richtlijn 2003/41/EG over de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV). Dit heet ook wel de Institution for Occupational Retirement Provisions (IORP)-richtlijn. Met de nu voorliggende herziening beoogt de Europese Commissie de pensioenfondsen beter bestuurbaar en transparanter te maken en de belemmeringen voor grensoverschrijdende dienstverlening weg te nemen.

De commissie voor SZW sprak in 2012 al eens haar bezorgdheid uit over de mogelijke financiële consequenties van de voorgenomen herziening van de IORP-richtlijn. Met name de oorspronkelijk voorziene solvabiliteitseisen waren zeer omstreden, aangezien deze voor de Nederlandse pensioenfondsen tot grote kostenstijgingen hadden kunnen leiden. Mede dankzij Nederlandse interventie heeft de Europese Commissie nu besloten de reikwijdte van het voorstel te beperken tot governance en informatievoorziening, zo valt in de kabinetsreactie op het voorstel te lezen. 

De commissie voor SZW heeft zich voorgenomen op 3 juni 2014 inbreng te leveren voor schriftelijk overleg over de nu voorliggende IORP-richtlijn. De fracties van PvdA (Postema), CDA (Hoekstra) en OSF (De Lange) hebben al aangegeven hierover vragen te willen stellen.

Voordien spreekt de commissie op 20 mei a.s. over het subsidiariteitsbezwaar van de Tweede Kamer. Nagegaan wordt of er mogelijk een meerderheid gevonden kan worden om dit bezwaar te steunen.

Nieuws uit de Kamer

Vragen aan de Europese Commissie over Europa 2020-strategie

​15 mei 2014 - Naar aanleiding van een mededeling van de Europese Commissie over een tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, die in behandeling is bij de commissie EUZA, zijn door de leden van de fractie van de SP vragen gesteld aan de Commissie. In het kader van de zogenaamde politieke dialoog is op donderdag 15 mei de brief vastgesteld waarin de Commissie enkele vragen worden voorgelegd.

In de brief spreken de leden van de SP-fractie hun teleurstelling uit over het feit dat de EU sinds 2010 steeds verder achterop loopt in het stimuleren van slimme en inclusieve groei bij onderzoek naar en ontwikkeling van werkgelegenheid, de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Zij vragen de Europese Commissie dan ook onder meer hoe zij inclusieve groei wil bevorderen en met welke prioriteit. Tevens wordt de Commissie gevraagd naar hoe wenselijk en reëel zij het acht om de ongelijkheid te verminderen. Ook vragen de leden van de SP-fractie of de Commissie van plan is om, na het beleid ten aanzien van staatsschuld, begrotingstekort en macro-economische onevenwichtigheden, nu ook het economisch bestuur van de EU uit te breiden naar arbeidsmarktbeleid en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

Uitspraak kabinet over gevolgen Hofuitspraak inzake Dataretentierichtlijn roept vragen op

​13 mei 2014 - De commissie I&A/JBZ zond op 15 mei 2014 een brief aan de minister van Veiligheid en Justitie met het verzoek toe te lichten of er nu wel of geen kabinetsappreciatie voorhanden is van de uitspraak in de zaken C-293/12 en C-594/12 (Digital Rights Ireland en Seitlinger, 8 april 2014). In deze zaken verklaart het Hof van Justitie van de EU de dataretentierichtlijn ongeldig. 

In een brief van 2 mei 2014 stelde de minister dat het kabinet meer tijd nodig heeft om de uitspraak te bestuderen voordat de Kamer gemotiveerd kan worden bericht over de consequenties van deze uitspraak voor de Nederlandse wetgeving met betrekking tot de bewaarplicht van telecommunicatiegegevens. Tegelijkterijd heeft het kabinet op 17 april 2014 in de kabinetsappreciatie van de mededelingen van de Europese Commissie over de toekomstige ontwikkeling van de JBZ-samenwerking aangegeven dat de aanpassing van de huidige juridische kaders voor dataretentie "een gunstige uitwerking op de bescherming van de privacy van de burgers heeft en ook tot verbetering van de effectiviteit van de opsporing zou moeten leiden". Het kabinet verwees hierbij naar een evaluatie van de implementatie van de datarentierichtlijn in nationale wetgeving en naar de Hofuitspraak. Daarmee lijkt het kabinet aan te geven dat een kabinetsappreciatie van de Hofuitspraak reeds voorhanden is. De commissie verzoekt het kabinet in de brief hierop te reageren.

Commissies I&A/JBZ en EUZA vragen nadere toelichting over gevolgen Hofuitspraak inzake publieke toegang tot Raadsdocumenten

​13 mei 2014 - Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU over de publieke toegang van Raadsdocumenten (zaak Access Info Europe v. Raad van 17 oktober 2013) zijn de commissies I&A/JBZ en EUZA in schriftelijk overleg getreden met de regering. Op 13 mei 2014 bespraken de commissies een brief van de minister van Buitenlandse Zaken (d.d.11 april 2014) over de kabinetsappreciatie van de Hofuitspraak. De commissies hebben naar aanleiding van de kabinetsappreciatie besloten nader schriftelijk overleg te voeren met de regering. Zij verzoeken de regering te reageren op een brief van de Commissie Meijers van 16 april 2014, waarin de Commissie Meijers de kabinetsappreciatie analyseert en toetst aan de uitspraak van het HofDe commissiebrief wordt deze week verstuurd.

Regering beantwoordt vragen over internetgovernance

​7 mei 2014 - De vorige editie van de EUpdate berichtte dat de commissies voor Immigratie & Asiel /JBZ-Raad (I&A/JBZ) en Economische Zaken (EZ) op 2 april 2014 een brief naar de minister van Economische Zaken hadden verzonden, met daarin een groot aantal vragen van de leden van de fracties van de PVV en de SP naar aanleiding van de mededeling van de Europese Commissie over de rol van Europa bij het vormgeven van de toekomst van internetgovernance en het BNC-fiche van de regering inzake deze mededeling.

De minister van EZ reageerde per brief van 28 april 2014 op de gestelde vragen. Hij schrijft onder andere dat het kabinet − net als alle andere Westerse landen − het standpunt inneemt dat het multistakeholder-model in tact moet blijven en zich verder moet kunnen ontwikkelen. Nederland is om die reden geen voorstander van het onder overheidscontrole brengen van het internet als zodanig, bijvoorbeeld via een internetverdrag. Het met alle relevante (multi)stakeholders komen tot wereldwijd aanvaarde internetprincipes kan de regering juist weer wél steunen. Een rol voor de overheid is weggelegd voor onder andere cybercrime en cybersecurity, staatsveiligheid, privacy, mensenrechten, maar ook economische principes zoals eerlijke concurrentie en netneutraliteit. Het beleid op die terreinen bestaat steeds uit een combinatie van internationale afspraken, regelgeving en zelfregulering, aldus de minister. Daarnaast blijkt uit de brief dat de regering geen voorstander is van het oprichten van een overlegmodel over internetgovernance op Europees niveau; Nederland geeft de voorkeur aan inbreng van al bestaande nationale en internationale intergovernance fora.

De commissies I&A/JBZ en EZ hebben de reactie van de minister van Economische Zaken in hun gecombineerde vergadering van 6 mei 2014 besproken en voor kennisgeving aangenomen. Zij zien voor nu geen aanleiding om in nader schriftelijk overleg te treden. Wel viel het besluit om een brief aan de regering en aan de Europese Commissie te richten, waarin de commissies verzoeken het standpunt op de slotverklaring van de op 23 en 24 april gehouden Global Multistakeholder Meeting on the Future of Internet Governance (NETmundial) te kunnen ontvangen, een conferentie waarvan de thematiek nauw gerelateerd is aan die van de mededeling.

Reactie op vragen Commissiemededeling preventie radicalisering

​7 mei 2014 - De EUpdate van 6 maart 2014 berichtte dat de commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ) in de maand ervoor twee brieven had verstuurd naar aanleiding van de mededeling van de Europese Commissie inzake het voorkomen van radicalisering tot terrorisme en gewelddadig extremisme: een brief aan de regering en een brief aan de Europese Commissie. Beide brieven zijn inmiddels beantwoord.

In de reactie van de Europese Commissie van 14 april 2014 valt onder andere te lezen dat de Commissie van mening is dat gezien de mate waarin en de wijze waarop terroristen het internet gebruiken, een andere aanpak nodig is. Commissie ondersteunt de initiatieven om counter narratives te laten horen en stelt voor om daarnaast een forum op te richten om de dialoog met de particuliere sector aan te gaan. Bij dit forum worden belangrijke globale spelers uit de online-industrie betrokken, alsmede rechtshandhavingsautoriteiten en onderzoekers.

De minister van Veiligheid en Justitie (V&J) antwoordt in zijn brief van 25 april 2014 dat de Nederlandse overheid in nauw contact is met de Europese Commissie en met de Europese Contraterrorisme Coördinator over de uitwerking van de mededeling. Voorts worden ervaringen gedeeld in diverse formele en informele gremia, zoals in het Radicalisation Network (een informeel netwerk van professionele eerstelijnswerkers en maatschappelijke sleutelfiguren) en in de informele ministeriële kopgroep van EU-lidstaten die veel met de problematiek van jihadisme en extremisme te maken hebben. Nederland speelt een actieve rol in deze gremia, aldus de minister. De brief bevat daarnaast een opsomming van maatregelen die de overheid nu al treft op het gebied van de aanpak van online propaganda, de opleiding van beroepskrachten en uitstapstrategieën voor mensen die met extremisme willen breken.
 

De commissie I&A/JBZ heeft beide reacties in de vergadering van 6 mei 2014 besproken en voor kennisgeving aangenomen. Zij ziet op dit moment geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de regering of aan de Europese Commissie.

Minister V&J reageert op nadere vragen EU-wetgevingspakket voor waarborgen in strafprocedures

​14 mei 2014 - De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) zond op 2 april 2014 twee brieven aan minister Opstelten met nadere vragen van de leden van de SP-fractie, gesteund door de leden van de GroenLinks-fractie, over twee richtlijnvoorstellen met waarborgen in strafrechtelijke procedures. De leden merkten op dat het vermoeden van onschuld in ons land steeds verder onder druk komt te staan en hielden de regering voor dat een toegevoegde waarde van de richtlijn bijvoorbeeld bestaat in de mogelijkheid van het kunnen starten van een inbreukprocedure in geval van niet tijdige of niet correcte implementatie in een andere lidstaat. Daarnaast volhardden de leden in de eerder opgeworpen stelling dat het strafprocesrecht voor minderjarigen niet voldoet aan de eisen van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVKR) en dat het om die reden voor ons land van belang is om de richtlijnontwikkeling te steunen.

De minister van V&J heeft op 1 mei 2014 op de brieven gereageerd. In zijn reactie weerspreekt hij de stelling dat het vermoeden van onschuld in toenemende mate onder druk zou komen te staan. Bij de totstandkoming van wetgeving worden volgens de minister essentiële waarborgen omtrent het vermoeden van onschuld ten aanzien van verdachten in acht genomen. Wel kan hij zich in algemene zin verenigen met de zienswijze dat de richtlijn toegevoegde waarde zou kunnen hebben bij het voorkomen van inbreukprocedures wegens niet correcte implementatie. Een absoluut vereiste in dit verband is dat een richtlijn dan wel voldoende concrete, heldere en met het oog op toezicht op de naleving en op daadwerkelijke implementatie in de praktijk toetsbare bepalingen moet bevatten. Dergelijke bepalingen ontbreken in de conceptrichtlijn nagenoeg volledig, aldus de minister. Hij geeft aan dat dit belangrijke aandachtspunten zijn bij de onderhandelingen over het richtlijnvoorstel. De stelling dat het strafprocesrecht voor minderjarigen niet zou voldoen aan de eisen van het IVKR en dat het om die reden voor ons land van belang zou zijn om de richtlijnontwikkeling te steunen, wordt evenmin door de minister onderschreven. Hij wil ten slotte niet ingaan op het verzoek om een beoordeling te geven over de naleving van het IVKR door andere lidstaten van de EU.

De commissie V&J heeft op 6 mei 2014 de reactie van de minister besproken en voor kennisgeving aangenomen.

Signalering

Nieuwe Europese voorstellen

​8 mei 2014 - Voor de Europese werkzaamheden van de Eerste Kamer wordt wekelijks een overzicht samengesteld van recent gepresenteerde Europese voorstellen. U treft hierbij links aan naar de meest recente overzichten, verdeeld naar Directoraat-Generaal én naar de beleidsverantwoordelijke commissie in de Eerste Kamer. Wil de Kamer een voorstel nader bestuderen, dan wordt het in de beleidsverantwoordelijke commissie aan de orde gesteld. Besluit een commissie een Europees voorstel inhoudelijk te behandelen, dan wordt op de Europapoort de Europese website van de Eerste Kamer - een apart dossier aangemaakt.

Heeft u als lezer van deze EUpdate commentaar op een Europees voorstel, maak dan gebruik van het contactformulier op de commissiepagina's van de Europapoort

Colofon

Via deze link kunt u zich vrijblijvend aanmelden als lezer van EUpdate.

Deze nieuwsbrief biedt actuele informatie in het kader van de parlementaire controle van de Eerste Kamer op het Europese beleids- en wetgevingsproces. Tevens geeft deze nieuwsbrief voor belangstellenden inzicht in de wijze waarop de Eerste Kamer haar controlerende taken uitvoert en informatie over de voortgang op actuele beleidsterreinen.

Via elektronische links biedt de nieuwsbrief direct toegang tot openbare documenten en dossiers.

De EUpdate verschijnt driewekelijks.

De nieuwsbrief wordt samengesteld door de ambtelijke staf van de Eerste Kamer met medewerking van de Permanent Vertegenwoordiger van de Staten-Generaal in Brussel.

Aan de informatie in deze nieuwsbrief kunnen geen rechten worden ontleend.
Vragen en suggesties over de inhoud kunt u mailen aan de redactie.